Jeugd

Op 6 noveber 1880 wordt Robert Musil te Klagenfurt geboren als kind van ingenieur Alfred Musil en diens vrouw Hermine. Zijn vader stamt uit een oud – Oostenrijkse familie, en de voorouders van zijn moeder zijn afkomstig uit Bohemen. Zijn vader zal zich uiteindelijk op werken tot hoogleraar Machinebouw- kunde aan de technische hogeschool van Brunn. Hij verkrijgt de titel van ‘Hofrat’ en wordt, kort voor het einde van de Habsburgse monarchie, geadeld. Ook Robert moet, zo wil zijn vader, een aanzienlijke positie bekleden. Hij moet officier worden.

Veel zal Musil zich later niet kunnen herinneren van zijn jeugd. En de herinneringen die hij heeft kan hij zeker niet altijd positief waarderen. Hij was een in zichzelf gekeerd kind, dat moeite had zich aan de onventies van het kind-zijn te houden. Het liefst zat hij in de tuin in te kijken, naar om het even wat. Of, zo verraden beelden uit zijn dagboeknotities en pogingen een autobiografie te schrijven, stond hij voor een raam van het ouderlijk huis, te staren naar iets wat toevallig zijn aandacht had getrokken. Dit beeld, staand voor een raam, peinzend, zal later vaker dan elk ander terugkeren in zijn werk: de lezer ontmoet Ulrich voor het eerst wanneer deze voor het raam van zijn nieuwe huis in Wenen naar buiten staart en zijn gedachten laat gaan over eigenschappen en eigenschaploosheid.

Zo gebeurde het dat hij lange tijd gefascineerd een slak bekeek dat over een blad kroop. Tijdens zulke gelegenheden werd hij nauwlettend door zijn vader gadegeslagen. Op de vragen die deze aan zijn zoon stelde, over wat hij dacht bij het zien van de slak, kwam vaak geen antwoord; Robert wist het zelf niet. De vader bedacht hierdoor dat de jongen geinteresseerd was in het observeren: en langzaam rees het idee dat de zoon tot een ‘natuuronderzoeker’, een bioloog, opgeleid moest worden.

De beelden van zijn jeugd zijn nooit scherp. Vaker gaat het om een beschrijving van een sfeer, een gebaar, stillevens die later op de voor Musil de schrijver kenmerkende manier als korte observatie in de dagboeken terugkeren:

Ein Kindheitszug war das Brüten in der Melancholie des Zimmers, und vielleicht sollte man sagen, über einem geliebten Spielzeug.

In zijn dagboeken noteert Musil later dat men hem door zijn eigenzinnigheid vaak vergeleek met zijn grootvader van vaderszijde. Deze, Mathias Musil, had zich van bescheiden afkomst opgewerkt tot legerarts, en besloot van de een op de andere dag zich te gaan weiden aan de landbouw. Hij trok zich terug uit het leger en begon een boederij om van te leven en om onderzoek te doen. Bedoeld wordt hier niet alleen dat Musil eigenzinnig is, maar ook energiek, en succesvol, maar vooral, door zijn eigenzinnigheid, moeilijk in de omgang, in ieder geval iemand waar je voorzichtig mee om moet gaan.

Robert Musil zal beide wensen van zijn ouders, het leger en de wetenschap, deels in vervulling doen gaan. In 1892 gaat hij naar de Militär-Unterrealschule in Eisenstadt. Hij doet dit niet zozeer omdat hem dit de juiste keus lijkt, of omdat hij enige affiniteit heeft met het militaristische regime, maar omdat hij, zoals hij later stelt, eindelijk een lange broek dragen wil. Dat wil zeggen, hij wilde als volwassen beschouwd worden, eindelijk serieus genomen. Voor zijn vader waren het voornamelijk praktische redenen hem naar de militaire academie te sturen. Op zijn negentiende zou hij officier zijn en zo over een eigen inkomen beschikken, en zich van een toekomst verzekerd weten. Voor de moeder gold dat zij hoopte dat Robert op de academie een strengere opvoeding zou genieten.

Na de eerste twee jaren in Eisenstadt, die zonder noemenswaardige herinneringen blijven, gaat hij in 1894 naar de Militär-Erziehungs- und Bildungsanstalt in Mährisch-Weißkirchen. Hier is het bewind autoritair, een spartaans tuchthuis waar de leerlingen als veroordeelden behandeld worden. Veertig jaar na zijn tijd in deze instelling jagen de herinneringen aan de washokken, de toiletten, en de alle beschijving tartende schooluniformen hem nog steeds grote schrik aan. Ongewoon heftig is zijn beschrijving van Weißkirchen: “das Arschloch des Teufels”. Hij vraagt zich af of zijn reinheid van nu niet nog steeds een overcompensatie is van wat hij toen mee had moeten maken.

Wanneer Musil in 1897 de militaire academie verlaat weet hij, in tegenstelling tot veel van zijn medeleerlingen, nog steeds niet wat hij wil van het leven, hoewel het uiteraard voor zijn ouders wel duidelijk is: voor hem ligt een glanzende militaire carriere. Zelf zegt hij:

Ich selbst war damals ganz unbestimmt, ich wußte nicht, was ich wollte, ich wußte bloß, was ich nicht wollte, und das war ungefähr alles, was zu jener Zeit für das galt, was man als Schriftsteller tun sollte.

Musil is dus zeventien jaar wanneer hij Weißkirchen verlaat voor de Technischen Militärakademie in Wenen. Hij neemt nu in ieder geval een richting die meer dan het militaire aansluit bij zijn gevoel. Maar ook deze keuze is niet geheel door hemzelf genomen, maar meer om aan zijn vaders wensen tegemoet te komen, die de twee tradities van de familie Musil, te weten het leger en de techniek, graag in zijn zoon verenigd ziet.

Na enkele maanden is Musil erin geslaagd zijn vader de ambitieuse koppeling uit het hoofd te praten en gaat hij naar de Technische Hogeschool van Brünn. De technische studie bevalt hem goed; hij lijkt voor het eerst van zijn leven iets te doen wat hem een zinnige bezigheid lijkt. In 1899 volgt het eerste staatsexamen, in 1901 het tweede. Voor beide slaagt hij met glans. Hoewel hij later, in zijn dagboeken, met de nodige ironie terugblikt op deze periode, is zij toch van groot belang voor hem geweest. Het aura van exactheid dat hij onder technici aantreft, het wantrouwen tegen het illusoire bij zaken die men ook berekenen kan maakt grote indruk op hem.

Wenn man einen Rechenschieber besitzt, und jemand kommt mit großen Behauptungen oder großen gefühlen, so sagt man: Bitte einen Augenblick, wir wollen vorerst die Fehlergrenzen und den wahrscheinlichen Wert von alledem berechnen!

Echter, in de jaren 1902 – 1903 raakt Musil gedesillusioneerd in zijn vak. Hij bemerkt dat de ingenieurs niet leven volgens de maatstaven van hun eigen vak. Hij werkt dan als assistent in de laboratoria van zijn school. Wat hem het meest teleurstelt is dat na de ene routineuze dag na de andere, er niets overblijft waarvan hij kan zeggen dat het zin gehad heeft, blijvend is. De aanvankelijke fascinatie voor de heilige nuchterheid van de techniek is verdwenen. De literatuur wordt zijn uitweg uit deze impasse.

Geef een reactie