Laatste jaren

Martha Musil was Joodse en alleen al door haar uiterlijk was haar toestand in Wenen, waar direct na de “Anschluss” tot geweldadige anti-semitische excessen kwam, gevaarlijk. Emigratie was slechts een kwestie van details. Thomas Mann en Gottfried Bermann-Fischer kwamen de Musils daarbij te hulp. Het echtpaar Musil reisde via Italië (Edolo) naar Zwitserland waar ze op 2 september 1938 in Zürich aankwamen. Hun verblijf begon in Pension Fortuna, Mühlbacherstr. 55, Quartier. Ook op een noodkreet van Musil om hulp reageerde Thomas Mann, wat Musil tot de volgende reactie in een brief bracht:

“Ein solches Zeichen der Zuneigung von Ihnen u[nd] Ihrer Gattin zu empfangen – denn unter den jetzigen Verhältnissen muß das selbst für Sie ein Opfer sein – hat mich mit Glück, aber auch mit Reue erfüllt; wenn sich mein Schicksal, wie ich hoffe, noch zum Besseren wenden kann, wird das immer der feste Stein in dem Morast bleiben, der mir den Tritt hinüber ermöglicht hat.” 

(Musil [Briefe] 1981, 883)

Vooral de laatste levensjaren in ballingschap in Zwitserland zijn op verchillende manieren zwaar en ontmoedigend. Het echtpaar Musil kan financieel nauwelijks het hoofd boven water houden en is immer van giften uit verschillende bronnen afhankelijk. Van wezenlijk belang is het American Guild for Cultural Freedom met secretaris Hubertus Prinz zu Löwenstein, het Comité international pour le placement des intellectuels réfugiés en ook enkele private donoren. Karl Corino heeft berekend dat Musil per maand zo rond de 500 Zwitsers franken te besteden had,

etwa das Gehalt eines kleinen Angestellten. (Corino 1988, 450).

De grootste steun en toeverlaat in de Zwitserse periode was de Zürichse pater Robert Leujeune (1891-1970). Voortdurend probeert hij aan geld te komen of uit eigen inkomsten de Musils te steunen, hij probeert kontacten te leggen, komt tussenbeide bij aangelegenheden met de Zwitserse overheid en hield de rede ter nagedachtenis aan Musil bij diens begrafenis.

Musil is na de “Anschluss” Duits Staatsburger en zal dit tot zijn dood blijven aangezien de officiele reden voor zijn oponthoud in Zwitserland is dat hij de reis heeft moeten onderbreken wegens gezondheidsproblemen. In juni 1939 verhuizen de Musils naar Geneve, eerst betrekken zij daar een hotel maar later een klein appartement in de Dependence der Pouponnière, Chemin des Grangettes 29.

Naast zijn financiele problemen leidt Musil ook onder zijn isolement en eenzaamheid waardoor hij weer verbitterd raakt. Zijn invloed op de contemporaine literatuur lijkt marginaal en bovendien wordt De Man Zonder Eigenschappen en Nachlaß zu Lebzeiten vanaf 1939 in het Duitse Rijk verboden (Liste des schädlichen und unerwünschten Schrifttums), en vanaf 1941 geldt dit verbod voor al het werk van Musil.

Terwijl de wereld in oorlog verzinkt werkt Musil aan zijn grote roman project. In zijn dagboek merkt hij op:

Eine Hauptidee oder =illusion meines Lebens ist es gewesen, daß der Geist seine eigene Geschichte habe u[nd] sich unbeschadet alles, was praktisch geschehe, schrittweise erhöhe. Ich habe geglaubt, daß die Zeit seiner Katastrophen vorbei sei. Daraus ist mein Verhältnis zur Politik zu verstehen.(Musil [Bd.1] 1976, 928)

Aan pater Lejeune schrijft hij op 24 September 1939:

[...] Es ist in der Schweiz leider so, [...]. Man ist solide im Urteil und hält den Toten die Treue, ob sie nun Keller, Meyer, Rilke oder Hofmannsthal heißen; auch ich fühle mich einigermaßen sicher, daß man einst meinen Schweizer Aufenthalt wohlgefällig buchen wird, aber erst auf seinen Tod warten zu müssen, um leben zu dürfen, ist doch ein rechtes ontologisches Kunststück!(Musil [Briefe] 1981, 1083)

Op 22 januari 1940 is het laatste openbare optreden van Robert Musil in Winterthur in een kerkgebouw voor het plaatselijke literaire genootschap. Er zijn 20 mensen aanwezig. Aan zijn vriend de beeldhouwer Fritz Wotruba schrijft hij:

Mehr Schnee als Geld ist keine behagliche Weihnachtsmischung; so wenigstes sieht es bei uns aus.

(Musil [Briefe] 1981, 1380).

Het laatste adres van de Musils is Chemin des Clochettes 1, een “turmartiges Gebäude”, waar het echtpaar een “Puppenzimmer” (Musil [Briefe] 1981, 1283) bewoont.

Op 15 april 1942 sterft Musil. Hij bezwijkt onverwachts aan een hersenbloeding. Het verhaal gaat dat hij in de ochend nog zijn ochtendgymnastiek had gedaan zoals hij dat trouw elke ochtend deed. Martha vind hem enige tijd later en zegt later dat zijn blik verbaasd was. Bij zijn crematie zijn 8 mensen aanwezig. Martha verstrooit zijn as, naar familiegebruik, in een bos bij Saleve. Die dag heeft Musil nog in zijn dagboek aangetekend:

Thomas Mann und ähnliche schreiben für die Menschen, die da sind; ich schreibe für Menschen, die nicht da sind.

(Musil [Bd.1] 1976, 880).

In de ochtenduren werkte hij nog aan het hoofdstuk `Atemzüge eines Sommertages`.

Martha Musil brengt enkele persoonlijke bezittingen en al het werk van Musil na de dood van haar man van Geneve naar Rome. Na haar dood in 1949 worden alle papieren door haar zoon Gaetano Marcovaldi (1898-1977) bewaard. De bijna 10.000 pagina’s tellende Posthume Werken zijn nu in het bezit van de Oostenrijkse Nationale Bibliotheek. In 1992 brengen Friedbert Aspetsberger, Karl Eibl und Adolf Frisé Robert Musil: Der literarische Nachlass, a CD-ROM waarop alles wat Musil ooit heeft geschreven te vinden is.

Geef een reactie