Literaire ambities

i. Literaire aspiraties.

In 1898 noteert Musil op een blad onder de titel Monsieur le Vivisecteur enkele ideeën over een Buch der Unterhaltung. Het moet uit twee delen bestaan: een eerste deel met een beschrijving van het leven van msr.le Vivisecteur aan de hand van anekdotes. Een tweede deel bevat Blätter aus dem Nachtbuch des monsieur le vivisecteur. Hij begint de schetsen met het beeld dat hij als kind uit het raam naar buiten staart waarin zich alle herinneringen aan de jeugdige eenzaamheid gekristaliseerd hebben. De uitgave van zijn dagboeken beginnen met deze schetsen. Maar na een korte tijd stopt hij er voor twee jaar mee. Ondertussen is hij begonnen met het opschrijven van psychologische-typologische notities van diverse waarnemingen. In 1902 neemt hij zich voor de aantekeningen weer te hervatten, maar nu niet meer uitsluitend voor aantekeningen voor zijn literaire werken, maar nu als dagboek, met allerhande observaties, ideeën, psychologische typeringen, en filosofische beschouwingen.

Waren de aantekeningen voor msr. le Vivisecteur nog afstandelijk en esthetisch, de dagboekaantekeningen zijn vanaf nu voornamelijk, onder invloed van de discipline die hij zich door zijn techniek-studie op heeft moeten leggen, als pretentieloze notitie- en werkboek te lezen. Afstandelijk zal het dagboek blijven:

Persönliches werde ich nur selten notieren und nur, wenn ich glaube, daß es mir einst von geistigen Interesse sein wird, an das Betreffende erinert zu werden.

Deze objectivering van zijn persoonlijkheid, zoals hij het zelf ziet, gaat gepaard met een toenemende labilisering van zijn intellectuele Ik. Zo gaat de afstandelijkheid van zijn eerste pogingen tot literatuur hand in hand met afwijking van zijn rationele overtuigingen. Zo stelt hij nu van zichzelf vast dat hij meer plaats in zijn leven heeft voor zinnelijke en emotionele ervaringen dan hij vroeger voor mogelijk had gehouden, en gezien zijn intellectuele ontwikkeling ook eigenlijk mogelijk is.

Ondertussen is hij begonnen te lezen: ervaringen die hem naar zijn gevoel rijker, en kritischer maken. Ralph Waldo Emerson, Maeterlinck, Dostojewski, maar bovenal Nietzsche. Deze laatste ontdekte hij toen hij net van de Militaire academie afscheid had genomen. Van Nietzsche leert hij dat innerlijk en uiterlijk voor de filosoof niet de juiste begrippen zijn om het denken op te baseren. De achtienjarige Musil leest in Menschliches, Allzumenschliches:

Sie meinen, mit tiefen Gefühlen komme man tief ins Innere, nahe man sich dem Herzen der Natur. Aber diese Gefühle sind nur insofern tief, als mit ihnen, kaum merkbar, gewisse komplizierte Gedankengruppen regelmäßig erregt werden, welche wir tief nennen; ein Gefühl ist tief , weil wir den begleitenden Gedanken für tief halten. Aber der tiefe Gedanke kann dennoch der Wahrheit sehr ferne sein, wie zum Beispiel jeder metaphysische; rechnet man vom tiefen Gefühle die beigemischten Gedankenerlebnisse ab, so bleibt das starke Gefühl übrig, und dieses verbürgt nichts fü die Erkenntnis als sich selbst, ebenso wie der starke Glaube nur seine Stärke, nicht die Wahrheit des Glauben beweist.

Bij Nietzsche is dan ook de basis voor Musil’s gevoelspsyhologie te vinden. Wanneer hij in de toekomst tracht zich duidelijkheid te verschaffen over ervaring(en), komt hij in de knel met een dergelijk dualisme. Veertig jaren na zijn eerste kennismaking met Nietzsche, wanneer hij bezig het laatste voltooide hoofdstuk te bewerken van de Man zonder eigenschappen verschaffen Nietzsches opmerkingen over Privé- en werelmoraal, over de logika van de droom, leiden en medeleiden liefde en rechtvaardigheid Ulrich steekwoorden voor de discussies die hij voert met zijn zuster Agathe.

Alle stärkeren Stimmungen bringen ein Miterklingen verwandter Empfindungen mit sich: sie wühlen gleichsam das Gedächtnis auf. Es erinnert sich bei ihnen etwas in uns und wird sich ähnlicher Zustände und deren Herkunft bewußt. So bilden sich gewöhnlich rasche Verbindungen von Gefühlen und Gedanken, welche zuletzt, wenn sie blitzschnell hintereinander erfolgen, nicht einmal mehr als Komplexe, sondern als Einheiten empfunden werden. In diesem Sinne redet man vom moralischen Gefühle, vom religiösen Gefühle, wie als ob dies lauter Einheiten seien: in Wahrheit sind sie Ströme mit hundert Quellen und Zuflüssen. Auch hier, wie so oft, verbürgt die Einheit des Wortes nichts für die Einheit der Sache…

Musil vraagt zich hoe het mogelijk is dat hij in zijn jeugd, bij zijn kennismaking met het werk van Nietzsche, slechts een derde van diens werk begrepen heeft, en dit toch zo’n grote invloed op zijn eigen werk gehad kan hebben. Het zijn namelijk Nietzsches relativering en omkering van de begrippen ‘diepte’ en ‘oppervlakte’, Nietzsches antithese van ‘eenheid van woord’ tegenover ‘veelheid van begrip’ die een belangrijke plaats innemen in het werk van Musils.

Maar zijn probleem is dat hij een vertelvorm moet vinden die in grotere mate recht doet aan het denken dan wat hij tot nu toe gewend is te lezen. Nietzsches werk heeft hem al tot de overtuiging gebracht dat literatuur kennis en inzicht moet garanderen. Beschrijven alleen is niet genoeg:

Die Dichtung hat nicht die Aufgabe, das zu schildern, was ist, sondern das, was sein sol. Mit anderen Worten: Dichtung gibt Sinnbilder.

Voor hem ontbreekt dan ook bij veel schrijvers de door hem gewenste synthese van denken en vertellen. Zo zegt hij bijvoorbeeld over Dostojewski dat deze, hoewel hij veel van zijn werken houdt, toch de precisie mist die nodig is om diens probleemstellingen afdoende uit te kunnen werken.

Er kam mir geistig zu ungenau vor: Ich hatte den Eindruck, seine Problemsbehandlung sei nicht eindeutig genug! Es kam mir zuwenig heraus!

Voor Musil is stijl de uitkristalisering van zijn denken. Maar hoe verwoordt hij zijn denken? Hoe nauwkeurig kan hij zijn? Herman Broch zegt over Musil’s heldere stijl het volgende:

Musil beseft dat je het diepzinnige verbergen moet op de enige plaats waar het te verdragen is: aan de oppervlakte.

ii. De Filosofie en Martha

In 1903 begint Musil een filosofiestudie in Berlijn, omdat hij vreest zonder kennis cq inzicht geen poetische ideeën die hem de nodige inzicht in de mens verschaffen te kunnen formuleren. Hij houdt zich bezig met de Kennistheorie en Logica en laat zicht beïnvloeden door de Levensfilosie. Maar ook in de filosofie zal Musil niet de antwoorden, of de vragen, vinden die hij zoekt. Alleen al de vraag wat wezenlijk en onbelangrijk is schept verwarring waar zelfs de filosofie geen antwoord op kan geven, zo blijkt hem: de twijfel neemt alleen maar toe.

Der Dichtkunst gegenüber könnte man allein bei der Betrachtung der Produktion eines einzigenJahres verzweifeln. Und doch findet man aus dieser Unendlichkeit mit instinktiver Sicherheit nur ein paar Bücher heraus die einem wichtig werden. Die Literatur der exakten Wissenschaft hat dagegen den Vorzug, daß jedes Buch seine Vorgänger modifiziert, weiterbildet, überflüssig macht. Nur in der Philosophie weiß man nicht, von wem man lernen soll.

Ondanks deze teleurstellingen zal Musil hier wel enkele intellectuele ervaringen hebben die voor hem wezenlijk zijn, en hem ook bij het schrijven van zijn hoofdwerk nog van dienst zullen zijn. De belangrijkste zijn de kennismaking met de “Gestaltpsychologie”, en zijn dissertatie over het werk van Ernst Mach waarin hij een Kennistheoretische verklaring voor zijn eigen houding ten opzichte van techniek vindt. Het gaat hem over de invloed van de exacte wetenschappen in de filosofie, die in deze tijd opgang maakte (het positivisme): Mach stelt, volgens Musil, dat zijn positivistische overtuigingen slechts door in de natuurwetenschappen beproefde waarnemingen tot stand zijn gekomen, en dientengevolge ook in de filosofie hun weg zouden moeten vinden. Musil ziet evenwel een discrepantie in het werk van Mach: de filosoof Mach ontkent hij het Noodzakelijkheidsprincipe, hij ziet slechts samenhang van funkties binnen de natuur, de onderzoeker Mach echter ontkomt er niet aan het Noodzakelijkheidsprincipe als een natuurwet voor te stellen.

De in 1906 verschenen Verwirrungen des Zögling Törleß reflecteert in zekere zin de zoektocht van Musil naar de balans tussen emotie en ratio, tussen “begreifen und verstehen”, het onbestemde van de mensheid te leren kennen en zodoende te ontlopen. Een vast perspectief hiervoor ontbreekt echter. Hij weet dat hij dingen die voor anderen eenduidig zijn altijd (ook) met andere ogen zal bekijken.

In 1910 legt hij zijn Doctoraal-examen af: hoofdvak is filosofie, bijvakken wiskunde en fysica.

In 1911 verschijnt Vereinigungen en ontvangt weinig positieve kritieken. Zijn vader ondertussen is zijn schrijverschap meer en meer als een hobby gaan zien, iets waarmee hij niet op eigen benen kan komen te staan. Musil neemt het hem dan ook niet kwalijk wanneer hij hem een baan bij de Technische Hogeschool van Wenen bezorgt. Voordat hij in 1910 Berlijn verlaat gaat hij eerst met Martha Marcovaldi drie maanden op vakantie in Italië.

Martha ontmoette hij in 1907. Over de periode 1903-1910 zou hij later zeggen dat het een periode is die hij met een negatieve balans waar het bereikte doelen betreft af gesloten heeft, behalve zijn ontmoeting met Martha:

… sie ist nichts, was ich gewonnen, erreicht habe, sie ist etwas, das ich geworden bin und das ich geworden ist.

Martha is schilderes, en imponeert hem met haar zinnelijkheid. Voor het nooit afgemaakt hoofdstuk De reis naar het paradijs gebruikt hij zijn ervaringen met haar tijdens een verblijf met haar aan de Oostzee.

Begin. In Graal. Zij op haar bed Brantome lezend. Zich ontblotend zo ver ze kan, diep in zich graaiend.

Musil blijkt jaloers te zijn tegenover haar vroegere minnaars, kan niet goed omgaan met dit licht ontvlambare soort vrouwen zoals hij het noemt: een bittere trek rond de volle lippen, lokjes op het voorhoofd… Een soort vrouw dat gemakkelijk haar echtgenoot ontrouw is, zonder dat zij zelf vind dat ze hem ontrouw is, maar integendeel juist vind dat zij een daad van liefde stelt.

Als in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbreekt gaat Musil het leger in. Eerst wordt hij gestationeerd in Tirol en later verder weg van het gevaar bij het Oostenrijks hoofdkwartier in Bolzano. In 1916 bezoekt hij Praag en ontmoet Franz Kafka wiens werk hij hoog achtte, zoals hij het werk van de Boheemse Rainer Maria Rilke. Op de herdenkingsdienst voor Rilke in Berlijn merkt Musil op dat Rilke ondergewaardeerd was voor het grootste deel van zijn leven en dat hij tegen de tijd van zijn overlijden een “verfijnde, goed gerijpte dames-likeurtje voor volwassen vrouwen” was geworden, maar dat zijn werk te veeleisend was om als ontspanning te kunnen dienen. Aan het einde van de oorlog, en als het Habsburgse rijk ineengestort is, keert Musil terug naar zijn literaire carrière in Wenen en publiceert Drei Frauen in 1924 en dan in 1930 en 1932 de eerste twee delen van De Man Zonder Eigenschappen.

Geef een reactie