Dagboeken

1905

Ik begin vandaag met een dagboek; geheel tegen mijn normale gewoonte in, maar uit een heel duidelijk ingeziene behoefte.

Het moet na vier jaren van versnippering de gelegenheid geven om die lijn van geestelijke ontwikkeling terug te vinden die ik voor de mijne houdt.

Ik zal proberen er de ‘vaandels uit een nooit geleverde slag’ in binnen te halen. De ideeën uit mijn emotioneel hevig bewogen tijd moeten weer opgepakt, geschift en verder uitgewerkt worden. Hier en daar moet iets uit mijn losse aantekeningen worden overgenomen, maar alleen wanneer dat mij opnieuw bezighoudt.

Persoonlijke zaken zal ik zelden noteren en alleen maar als ik denk dat het intellectueel nog een keer van belang kan zijn om aan het desbetreffende te worden herinnerd.

Alle gedachten aangaande ‘de wetenschap van de mens’ moeten erin komen. Het vak-filosofische niet. Ontwerpen wel. Zo nu en dan een gedicht dat me het onthouden waard lijkt. In het bijzonder die met tussen- en boventonen. Absolute uitdrukkingen. Dit trouwens helemaal het grote punt van de stijl. Niet alleen maar aandacht voor wat men zegt, maar ook voor hoe men het zegt. Mijn stijl zoeken. Tot dusver probeerde ik het onzegbare met directe, tastende woorden te zeggen. Dat verraadt eenzijdige intelligentie. De wil om van de expressie een instrument voor mezelf te maken, dient aan de aanvang van dit cahier te staan.

Uit: Cahier 11: (1904/08 – 1918/19)


De psychologen onderscheiden meerdere typen geheugen; in de tijd dat ik studeerde waren dat het visuele, het auditieve en het motorische geheugen. Van die drie was er niet een op mij van toepassing, al reageerde ik bij de gangbare experimenten motorisch. Maar die zijn elementair. Het dichtst kom ik bij een karakterisering van mijn geheugen (en ook van mijn fantasievoorstellingen) met het volgende: Ik stel me de dingen in elk opzicht onaanschouwelijk voor, ongeveer in “feitelijke verhoudingen”. Ik onthoud ook zelden details, doch altijd slechts de een of andere zin van de zaak. Uit de feitelijke verhoudingen, die geheel vormloos in het geheugen aanwezig zijn, bijna niet aanwezig zijn, worden op een wijze die ik niet heb geanalyseerd de uitspraken gevormd.
Ik geloof dat ik daarom ook zo moeilijk schrijf.
Ik wil dit vooropstellen, omdat het voor de waardebepaling van mijn herinneringen van belang is. In het ‘algemeen’ zullen ze betrouwbaar zijn, afzonderlijk genomen niet altijd.

Uit: Cahier 1 (1915 – 1920)


6.I Ik wil vanaf het begin van het jaar aantekeningen houden. Doel: vastleggen hoe mijn 50e levensjaar eruitziet! Maar ook: zonder bepaald doel feiten vastleggen. Ik ben te abstract geworden en zou me met behulp van dit middel ook graag tot het vertellen willen heropvoeden, doordat ik de dagelijkse omstandigheden respect betoon.
…..
3.II Het is mijn bedoeling om in deze aantekeningen alles van geestelijk-inhoudelijke aard te vermijden en alleen levensomstandigheden te noteren. Ik teken daarom aan dat het buiten +7 graden is en er sinds gisteren met onderbrekingen een fijne warme regen valt. Ik hoop daarbij dat het natte grauwe dak van het Salmpalais en het brokkelig rode, barokke pannendak van het Rasumofskypalais eens weer voor me zullen herrijzen.

… ben op de gedachte gekomen dat alles wat men liefheeft in de kunst mooi wordt. Schoonheid is helemaal niets anders dan de uitdrukking van het feit dat iets is liefgehad. Alleen zo zou ze te definiëren zijn. Daarom zou dan ook het toenemen van een satirische geest zeer gevaarlijk zijn. En schoonheid zou met [andere toestand] samenhangen, al is het ook enkel een geciviliseerde liefde waar ze van uitgaat. Ik weet op het ogenblik dat ik deze aantekening maak niet of ze iets waard is; ze hoort ook niet hier, maar ik heb op het moment geen ander cahier om haar in vast te leggen.

Uit: Cahier 30 (ca. 1929 – 1941)

Geef een reactie