Leven

30.V
Met wetmatige regelmaat voltrekt zich de volgende cirkelgang in mij.
Ik ben arrogant, afwijzend, teruggetrokken, fijngevoelig, gelukkig.

Een of ander gevoel van kracht doet zich gelden. Ik heb me bij het roeien te zeer in mijn spieren vermeid of ik ben te stompzinnig intensief met filosofie bezig.

Ik voel allereerst dat mijn alzijdig conciliante arrogantie mij verlaat. Ik ben minder beminnelijk, heb minder esprit. Ik voel mij leeg en werk uit wanhoop. Mijn sociale gedrag lijdt eronder. Ik krijg een nederlaag te slikken. Ik kom me in vergelijking tot een willekeurige andere persoon dom voor. Ik gedraag me buitengewoon onhandig, ben niet in staat een belediging op passende wijze te beantwoorden. Een paar uur later ben ik weer arrogant, afwijzend, teruggetrokken, fijngevoelig en gelukkig.

Uit: Cahier 11 (1905 – 1918/19)


Hij kwam haar na deze kostelijkste nacht van zijn leven opzoeken. Hij zocht in haar ogen een rest van dat gisteren. Deze waren groot en rond, van een hete vochtigheid. Hij vroeg haar: “Huil”. En zij huilde. Na enige tijd huilde hij mee. Want hij had de wil om te huilen. Nadien waren ze allebei moe en mat. En allebei voelden zij een veel tederder soort van liefde. Hij echter had een ontdekking gedaan. Deze.

Op het stilste uur.
Ieder mens is een kerkhof van zijn gedachten. Het mooist zijn ze voor ons op het ogenblik waarop ze ontstaan, later kunnen wij vaak een intense spijt voelen dat ze ons onverschillig laten waar ze ons vroeger in verrukking brachten.

Een stilste uur is nu dat tussen twaalf en een van onze ziel, waarin ze uit hun graven opstaan en elk ons een verloren stuk van onszelf brengt. Wij krijgen een ander gevoel van onszelf en worden stil, omdat we de onvermijdelijkheid kennen waarmee ze ons klokslag één verlaten

Huilen
Een kleine omkering. Hoe zou het zijn als de mensen om uiting te geven aan hun blijdschap het huilen zouden kiezen (Afgezien van de gangbare vreugdetranen) Hoe zouden mensen die dat konden eruitzien? Huilen en lachen zou men trouwens helemaal als dieet moeten behandelen.

Uit: Cahier 3 (1898 – 1905/06)


Fantasieën: Twee maanden liefde in een heel klein stadje. De vrouw van een of andere zieke man, die het huis niet uit kan, de onderwijzer, de koopman. Zij heeft een beetje brede, stevige taille en een beetje dikke kniën. Als ze naakt is doen haar handen niet mee met haar lichaam, maar als iemand die schuchter langs de kant staat. En toch zo vol leven, zo vol wil tot plezier, zo zeer vrouw – in een provinciaalse variant, die zich een beetje schaamt, maar vastbesloten is aan haar trekken te komen. Ze ruikt naar tule en stamijn. Ze weet dat ze het niet volmaakt doet, maar ze wil het toch doen.

Vakantieverblijf. Man, die zijn jeugd met werken heeft verloren, verdaan. Wakker worden met honger. En je merkt dat je al 35 bent en voor 17-jarige meisjes grappig. Omdat je je alleen maar van binnen kent, is het onvoorstelbaar voor je dat je oud zou zijn. Uitstapjes met de jongelui. De moeder is ook 35 jaar. Jij en zij horen bij elkaar. Je loopt met haar achter de anderen aan. Je raakt langzaam onder haar bekoring. Maar je zou daarbij voortdurend tussen die roedel meisjes willen springen. – Een meisje wordt ernstig, luistert graag naar je, laat zich dingen door je vertellen. Wondermooi, dit ernstig en kameraadschappelijk worden van meisjes voor het verliefd worden.

Uit: Cahier 7 (1913 – 1914)


Jij: jij laadt de ruimte om je heen in toenemnde sterkte met je tegenwoordigheid op. Verschil van intensiteit tussen voorstellen en er zijn wordt tot een geluk, dat ik voel.
Een massa gratie, welriekendheid, welgeordendheid omgeeft mij. In de voornaamheid van jouw lichaam treed ik binnen als een boer. Ik vind het een verrukking om met je te babbelen. Ik kan het trouwens alleen maar met jou. Kameraad. Enige mens van wie ik houd. Met wie ik kan opschieten, oplopen, opliggen; zonder een schaduw van elkaar niet mogen.
Maar de mystiek is weg; kan zich niet handhaven in de stad.
Daarvoor in de plaats iets haastigs, voortglijdends. Het vlug gestolene van dit korte samenzijn. Aards; warm als de zon op een aardbeienbed.
En toch iets van wantrouwen: ik wil je nooit ontrouw zijn – zonder in te zien waarom, alleen maar omdat jij het niet wilt – en jij zou het kunnen zijn. Jij zou ertoe in staat zijn, zonder iets tegen me te zeggen. Deze fantasie maakt me voor een paar minuten midden in het geluk geniepig.
En toen stond jij op het station terwijl ik wegreed, en je hield je gebogen arm omhoog als een vaandel dat men rechtop houdt, halsstarrig, je om de mensen niet bekommerend, door het overwinnen van de pijn van de vermoeidheid het lot iets afdwingend: en ik hield op dat moment tot tranen toe van jou en van jouw hele leven.

Uit: Cahier 1 (1915 – 1920)


November 1913.
Wachten: Ik bezie mijn werk. Het is bewegingloos; als van steen. Niet betekenisloos, maar de zinnen verroeren zich niet. Ik heb twee uur de tijd voor ik – als ik het goed uitreken – weg kan gaan. Elke vijfde minuut kijk ik op de klok, het is telkens minder, niet dan ik had geschat maar dan ik – als op een wonder – had hegoopt. Ik zie voor de eerste keer mijn meubels stilstaan in mijn kamer. Het ziet er op dezelfde manier anders uit als wanneer men vijf punten ziet als vijf dobbelsteenogen. De tafel, de twee stoelen, de sofa, de kast. Zo moet het mensen zonder ideeén vergaan wanneer hun werkdag eropzit. Er leeft een al ietwat overblijde verwachting in mij. Even overblij als aan het eind van de 24ste december vlak voor het feest begint.

Iemand op straat fluit, iemand praat gaat voorbij. Veel geluiden zijn er tegelijkertijd; iemand praat, op de bovenverdieping speelt iemand piano, de telefoon rinkelt. (Terwijl ik dit neerschrijf gaat de tijd als razend.)

Uit: Cahier 7 (1913 – 1914)


Over de associatie:Ik stap naar buiten, zie dat de stoep nat is en krijg een gevoel van onbehagen. Dan pas schiet me te binnen dat ik vergeten ben in de hal mijn overschoenen aan te trekken. Volgens de psychologie van de ass. zou dat een intellectueel verband zijn; in werkelijkheid light daar echter een gevoel tussen, dat zich kenbaar maakt.

Uit: Cahier 30 (1929 – 1941)

Geef een reactie