Marcel Proust

(Auteuil 10 juli 1871 – Parijs 18 nov. 1922), Frans schrijver, was de zoon van een hoogleraar in de medicijnen. Zijn moeder, met wie hij een sterke binding had en tegenover wie hij zich schuldig voelde, mede wegens zijn homoseksuele aanleg, was van joodse origine. Na een mislukte rechtenstudie aan de Sorbonne volgde hij colleges van o.a. Henri Bergson, wiens filosofie van de stroom van de tijd hem boeide, maar met wiens ‘élan vital’, het gericht zijn op een actieve toekomst, hij weinig affiniteit had. Zijn eerste geschriften, Portraits de femmes, verschenen in Le Banquet, het orgaan van zijn vroegere vrienden van het Lycée Condorcet. In 1896 publiceerde hij Les plaisirs et les jours, korte prozateksten over diverse onderwerpen, die al iets te zien geven van het uitzonderlijke transformatievermogen dat zijn latere werk kenmerkt. Een autobiografische roman in drie delen, Jean Santeuil, vond Proust, wegens de weinig vormvaste structuur, ongeschikt voor publicatie; het boek verscheen pas in 1952. Van groot belang voor de ontwikkeling van zijn sensitieve stijl waren zijn vertalingen van de Engelse, in de tijd van het symbolisme opgekomen estheet John Ruskin: La bible d’Amiens (1904) en Sésame et les lys (1906). Prousts inleiding Sur la lecture (later herdrukt als Journées de lecture in Pastiches et mélanges, 1921) kan men lezen als zijn eerste ars poetica.

Na de dood van zijn ouders (vader in 1905, moeder in 1906) verergerde de astma waaraan hij reeds sinds zijn vroegste jeugd leed, zozeer dat hij zich uit het mondaine leven terugtrok in zijn studeerkamer. Zijn schuldgevoel stond niet langer zijn schrijfarbeid in de weg en hij begon aan zijn grote werk À la recherche du temps perdu, een weids panorama dat vijftien delen zou beslaan, die niet in chronologische volgorde werden gepubliceerd. Kern van het werk is het door middel van de herinnering oproepen van een voorbij verleden, dat in het schrijven transcendeert naar een ‘temps pur’, een absolute tijdeloosheid. Dat werk van het geheugen wordt steeds op gang gebracht door uiterst kleine tekens in het heden; beroemd is de passage van het dopen van een ‘madeleine’ (een zacht soort koekje) in een kopje thee, waaruit zich de hele wereld van Combray (in werkelijkheid Illiers, thans Illiers-Combray [Eure-et-Loir], waar het huis van ‘tante Léonie’ Proustmuseum is) ontvouwt. Het oproepen van het verleden is een taak van een totale verbeelding, niet in de eerste plaats een ‘recherche’ bedreven door de intelligentie. In het postuum verschenen Contre Sainte-Beuve (1954) zet Proust zich af tegen het eenzijdige verstand van zijn ‘bête noire’. Behalve een verbeelde autobiografie, waarin talloze omringende figuren getransformeerd en verdicht worden, is Prousts werk ook een tableau van verschillende sociale klassen, waartussen het verschil gaandeweg steeds kleiner wordt. De menselijke conditie van ellende, eenzaamheid en tekort geldt voor iedereen in even sterke mate. Rond het personage van Marcel, een getransponeerd alter ego, verschijnt een maatschappij in een proces van ontbinding; alleen de kunst kan erin slagen daarvan iets te bestendigen. Vooral in het laatste, essayistische deel, Le temps retrouvé (1927), staan over die omvorming behartigenswaardige zaken.

Behalve in het vermogen elke werkelijkheid in ander licht te zetten, is Prousts werk ongebreideld in het beschrijven van karakters, die tot het uiterste genuanceerd zijn en daarmee ongrijpbaar. Autonome, in de verbeelding gegrifte gestalten werden: Baron de Charlus (Sodome et Gomorrhe, 1922; À l’ombre des jeunes filles en fleurs, 1918) – arrogant, aartsverleider, komediant -, Albertine (Albertine disparue, 1925) – meisje met jongensachtige trekken, grillig, poëtisch – en de vele elegante, droevige, reddeloze figuranten die Combray en de badplaats Balbec (= Cabourg) bevolken. De stijl waarin Proust deze uit een vingerhoed ontwikkelde kosmos oproept, wordt vooral gekenmerkt door de lange, ritmische, in elkaar geweven zinnen, die ‘de taal verdedigen door haar aan te vallen’ met geladen woorden die als signalen naar het verleden wijzen. Aanvankelijk vond Proust voor zijn baanbrekend werk geen belangstelling; het eerste deel, Du côté de chez Swann (1913), moest hij op eigen kosten laten drukken. Pas de bekroning met de Prix Goncourt (1919) van À l’ombre des jeunes filles en fleurs (1918) bracht hem erkenning en eerherstel bij monde van André Gide, die aanvankelijk niets in zijn werk gezien had.

Encarta(R) 98 Encyclopedie Winkler Prins Editie. Alle rechten voorbehouden.

Geef een reactie