Thomas Mann

(Thomas Johann Heinrich) (Lübeck 6 juni 1875 – Zürich 12 aug. 1955) verhuisde in 1893 naar München, waar hij korte tijd volontair was bij een verzekeringsmaatschappij en enkele jaren aan de technische hogeschool studeerde. Hij werkte mee aan verscheidene tijdschriften, o.a. aan Frühlingssturm, Das Zwanzigste Jahrhundert (door Heinrich uitgegeven) en Simplicissimus. In 1905 trouwde hij met Katharina (Katja) Pringsheim. In 1933 verliet hij Duitsland en vestigde zich, na een kort verblijf in Frankrijk, in de buurt van Zürich (tot 1938). De Duitse nationaliteit werd hem (evenals zijn eredoctoraat van de universiteit van Bonn) ontnomen en hij nam de Tsjechische aan (1936). In 1938 emigreerde hij naar de Verenigde Staten, gaf gastcolleges aan de universiteit van Princeton (N.J.) en vestigde zich in 1940 in Californië (tot 1952). In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 keerde hij terug naar Europa (Zwitserland).

Thomas Mann wordt beschouwd als een van de belangrijkste Duitse schrijvers in de eerste helft van de 20ste eeuw. Zijn oeuvre omvat novellen, romans, musicologische en letterkundige studies en essays. Vanuit zijn eigen aanleg bevond hij zich, evenals zijn broer Heinrich, in de ban van het fenomeen van de kunstenaar, die ook bij hem neurasthene trekken vertoont. Ook voor Thomas bestond de tegenstelling kunstenaar-burger, maar op geheel andere wijze. Hij leed eronder, omdat hij zich noch met de een noch met de ander kon identificeren. Hij stond ertussenin, had trekken van beiden, maar behoorde nergens bij, wat een kil eenzaamheidsbesef bij hem opriep. Vaak brengt hij zijn positie in verband met zijn deels burgerlijke, deels exotische afstamming. Deze thematiek vindt haar treffendste neerslag in de novelle Tonio Kröger (1903), maar speelt door heel zijn oeuvre. Ook de dood fascineerde hem. In dit alles spreekt de in zijn beginjaren sterke verwantschap met Schopenhauer, Nietzsche en Richard Wagner. De schrijver poogde, naar eigen zeggen, zijn problemen door schrijven de baas te worden, te neutraliseren. Hij deed dit op tweeërlei wijze: in de vorm van werken waarin hij parabelsgewijs zijn ideeën vertolkte, en in de meer directe vorm van essays. Na een crisis, mede veroorzaakt door de Eerste Wereldoorlog, maakte de doodsfascinatie plaats voor een positievere waardering van het leven: hij stond nu een humaniteitsideaal voor, gebaseerd op onderling respect. Hiervan getuigt o.a. de ‘tijdroman’ Der Zauberberg (1924). Tussen 1933 en 1943 verscheen de tetralogie Joseph und seine Brüder, een psychologische benadering van een aan de bijbel ontleend, mythisch gegeven. Een grandioze reanimatie was de schildering van Goethe in zijn nadagen in de roman Lotte in Weimar (1939). Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de ‘Duitse ziel’ in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. Op het eind van zijn leven greep hij opnieuw naar het oude motief van de kunstenaar als verdacht individu, in de onvoltooid gebleven roman Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull (1937; def. uitg. 1954). Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal-socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger (Deutsche Ansprache, ein Appell an die Vernunft, 1930; Achtung Europa! Aufsätze zur Zeit, 1938). Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Hij ontving in 1929 de Nobelprijs voor literatuur, vooral uit waardering voor Buddenbrooks. Zijn werken waren van 1933 tot 1945 in Duitsland verboden. Na de oorlog kritiseerde hij niet-geëmigreerde anti-nationaal-socialistische schrijvers om het feit dat zij gebleven waren. Dit schaadde zijn aanzien in Duitsland zeer. Thans echter wordt hij ook daar weer gewaardeerd als een van de grote figuren van zijn tijd.

Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921. Met de Tagebücher 1933-1934 begon Peter de Mendelssohn in 1978 aan de uitgave van alle dagboeken. Na zijn dood zette Inge Jens de uitgave voort. In 1996 verscheen het laatste deel. In Zürich is het Thomas Mann-archief gevestigd.

Encarta(R) 98 Encyclopedie Winkler Prins Editie. Alle rechten voorbehouden

Geef een reactie